Senioren gym

Zus

Met vijf deels zwevend uitgevoerde passen was ze, vertrokken bij de voordeur, via gang en keuken in een rechte lijn onderweg naar de achterdeur. Onderwijl, op het hoogste punt van elk zweefmoment aaide ze langs het plafond met haar, voor zover de ruimte dat toeliet, gestrekte arm. Deze zweefmomenten wisselde ze af met de gespiegelde beweging; door de knieën gaand werd de aai-beweging richting plafond nu richting de vloer uitgevoerd.
‘En daarbij hoor ik een melodie in vierkwartsmaat die het zwierige van de bewegingen ondersteunt.’

Staand in de deuropening van de kamer keek ik er met verbazing en een zekere mate van ergernis naar. Ik classificeerde gedrag nogal snel als overdreven en in mijn beleving overtrof deze actie de betekenis van het woord ‘overdreven’.
Al kijkend vroeg ik me af waarom de achterdeur niet openstond zodat de vrouw verder kon zweven door de tuin en over het poortje om uiteindelijk in één keer tot stand te komen aan de andere kant van de tuinafscheiding in het pad tussen de huizenblokken. Of nee, wacht even; tot stand hoefde echt niet; gewoon doorgaan met die sprongen en wegwezen. Doei; rust in en om het huis.

Ik weet niet meer voor wie deze oefening werd voorbereid, maar de doelgroep werd zeker niet gevormd door de groepen bejaarden die wekelijks een uur onder leiding van de vrouw aan lichaamsbeweging deden. Of lichaamsbeweging….het betrof eerder een vage herinnering aan bewegende lichamen. Deze mensen hadden, zittend op of staand achter een stoel, al moeite om met de armen en benen enige mate van beweging te suggereren terwijl mijn moeder achter de piano het geheel van muziek voorzag. Muziek die meer actie leek te impliceren dan er daadwerkelijk te zien was. Als mijn moeder íets goed kon, was het wel melodieën improviseren en ontwikkelen vanuit de bewegingen die ze moesten ondersteunen.

De leiding van deze uurtjes ‘ritmische gymnastiek’ (de officiële naam van het gebeuren) berustte bij Zus, de vrouw die ons huis af en toe omtoverde tot een gymnastiekzaal.
Zus was een statige vrouw. Zus was een dame. Dat wil zeggen; ze was een dame vanaf haar schouders tot haar kruin en dat dan nog enkel tot het moment waarop ze begon te springen. Ze droeg haar enorme vracht lang, rossig haar elegant opgestoken, wat haar het aanzien gaf van een strenge onderwijzeres. Haar kleding echter, was een heel ander verhaal: eeuwig en altijd droeg ze een spencer en een bruine broek met vouw die haar deden lijken op een tenniskampioen zonder racket op weg naar de volgende wedstrijd. Na elke flikflak combinatie door gang en keuken was er van het statige kapsel ook niet veel meer over: in vermoeide slierten hing het langs haar gezicht. Zus zelf oogde echter nog alles behalve vermoeid. Helaas.

Zus was een behoorlijk aantal jaren ouder dan mijn moeder. Na haar pensionering kreeg mijn moeder daardoor te maken met een opvolgster. Deze vrouw, Olga genaamd, was jong en atletisch. Naast Olga was Zus een houten Klaas. Olga zou de perfecte opvolger van Zus geweest zijn, ware het niet dat er een niet noemenswaardig probleempje was: ze was alles behalve ritmisch waardoor de ritmische-gymnastiek moeiteloos overging in ‘onritmische-gymnastiek’. Olga had geen gevoel voor de ritmiek van bewegingen waardoor haar oefeningen een allegaartje werden van maatsoorten.

Mijn moeder werd er gek van. Ze bleek niet in staat de bewegingen van de ouden van dagen vóór haar die door de samenhangloze instructies van Olga elke vorm van muzikaliteit ontbeerden, te negeren. Het bleef haar storen dat oefeningen in de pas met de muziek begonnen, om vervolgens vrij snel vast te lopen in het drijfzand van de vele maatwisselingen.

Oneindig vaak heeft ze Olga, nadat de ouden van dagen de ruimte eindelijk hadden verlaten, voorgedaan hoe, met wat kleine veranderingen, haar oefeningen beter zouden lopen. Even zo vaak begreep Olga hoe het moest, om vervolgens dezelfde fouten weer te maken.
‘Zo liep het perfect of niet Rietje? Dat voelde een stuk beter vind je niet? We komen er samen wel.’
Het bleek een kansloze missie; Olga zou nooit en te nimmer een bewegingsvolgorde binnen één maatsoort kunnen bedenken, laat staan uitvoeren.


Af en toe kwam Zus na haar pensionering nog op bezoek. Elk bezoek verliep hetzelfde: ma demonstreerde hoe Olga haar oefeningen van vierkwarts- naar zevenachtste- en via vijfkwarts- terug naar een vierkwartsmaat liet gaan en Zus, nu vanuit haar luie stoel, bewees dat een paar simpele aanpassingen voldoende zouden zijn geweest om het samenhangloze een balletachtige perfectie te geven. Het tot dat moment op onweer staande gezicht van ma klaarde op. Precies! Zo deed je dat.

Inmiddels miste ik de ‘huisbrede’ turnoefeningen van Zus in onze gang en keuken. Ik vond het nog steeds een overdreven gedoe, maar het was verre te prefereren boven wat ervoor in de plaats gekomen was. Mijn moeder raakte nl. ook op dagen dat Zus niet op bezoek kwam, niet uitgepraat over de driekwartsmaat van Olga die een vierkwartsmaat had moeten zijn. Elke keer weer werden tijdens het eten haar ergernissen van de dag doorgenomen. Of eigenlijk bracht ze haar enige grote ergernis opnieuw en opnieuw ter sprake. Het kleine vrouwtje verdween bijna achter het bord met warm eten, maar haar bliksemende ogen in combinatie met de grote gebaren waarmee ze duidelijk maakte hoe die ene toegevoegde beweging ruimte zou hebben gecreëerd voor de ontbrekende tel, zorgden er toch voor dat vier paar ogen op haar gericht waren.
Het was ons inmiddels wel duidelijk: Olga deed het niet goed en met haar viel niet samen te werken. Met Zus was het veel leuker geweest.
Wij, de kinderen, zouden er veel voor over hebben gehad als Zus terug had kunnen komen. Ze had van ons graag af en toe in onze keuken mogen turnen als daarmee het eindeloze gemopper over de ontbrekende tel zou zijn verstomd